Waarom meer projecten binnen R&D niet automatisch meer innovatie opleveren
Ontdek hoe scherpe keuzes, stopcriteria en vroege technische validatie bepalen welke innovatieprojecten echt vooruitkomen.
Leestijd: 9 minuten
Samenvatting
- Te veel innovatieprojecten tegelijk versnippert budget, kennis en capaciteit — waardoor niets écht opschiet.
- Een brede strategie geeft geen richting; prioriteren vraagt duidelijke keuzes op strategie, klantwaarde en haalbaarheid.
- Vroege validatie en vooraf vastgestelde stopcriteria maken prioritering feitelijk in plaats van gevoelsmatig.
Voor veel R&D Managers en Innovation Leads is een volle innovatiepijplijn op het eerste gezicht positief. Er zijn ideeën, commerciële kansen en technische mogelijkheden. Verschillende afdelingen zien verbeteringen voor bestaande producten en tegelijkertijd ontstaan plannen voor nieuwe proposities.
Toch kan juist die hoeveelheid de voortgang vertragen. Wanneer te veel projecten tegelijkertijd om aandacht vragen, worden budget, specialistische kennis en engineeringcapaciteit over steeds meer initiatieven verdeeld. Teams zijn druk, maar de belangrijkste projecten komen niet vanzelf sneller vooruit.
De uitdaging is daarom niet alleen om voldoende goede ideeën te ontwikkelen. Minstens zo belangrijk is het vermogen om te bepalen welke projecten nu aandacht verdienen, welke later kunnen starten en welke moeten stoppen. Prioriteren is geen administratieve stap binnen innovatie. Het is een strategische keuze over waar een organisatie haar schaarse tijd, kennis en investeringsruimte inzet.
Een brede innovatiestrategie geeft weinig richting
Boston Consulting Group vroeg 1.003 senior innovatieprofessionals wereldwijd naar de grootste uitdagingen binnen innovatie, R&D en productontwikkeling. Een onduidelijke of te brede strategie werd door 52 procent genoemd als een van de drie grootste uitdagingen. Daarna volgden stijgende kapitaalkosten met 47 procent en beperkte beschikbaarheid van talent met 44 procent. Ook een risicomijdende cultuur, innovatie in afzonderlijke silo’s en gebrekkige governance kwamen hoog op de lijst.
Deze onderwerpen versterken elkaar. Wanneer de strategie breed blijft, is bijna ieder project op een bepaalde manier relevant. Een kostenbesparing past bij efficiency, een nieuwe functie bij klantwaarde en een nieuw platform bij toekomstige groei. Zonder scherpere keuzes ontbreekt echter een gemeenschappelijk kader om te bepalen welk initiatief het zwaarst weegt.
Dat maakt een roadmap al snel tot een verzameling wensen. Commerciële kansen, klantverzoeken, technische verbeteringen en langetermijninnovatie worden naast elkaar gepland, terwijl dezelfde engineers, testfaciliteiten en ontwikkelbudgetten nodig zijn om ze uit te voeren.
Een bruikbare innovatiestrategie moet daarom concreet genoeg zijn om richting te geven. Welke klantproblemen wil de organisatie oplossen? In welke markten wil zij onderscheidend zijn? Welke technologieën en productplatforms zijn daarvoor essentieel? En welke initiatieven dragen onvoldoende bij aan die keuzes?
Wanneer alles prioriteit heeft, raakt capaciteit versnipperd
De werkelijke capaciteit van een R&D organisatie wordt niet alleen bepaald door het aantal beschikbare medewerkers. Ook specifieke competenties, testmiddelen, leveranciers, besluitvorming en onderlinge afhankelijkheden bepalen hoeveel projecten tegelijk vooruit kunnen.
Vooral schaarse specialisten vormen vaak een knelpunt. Dezelfde engineer is nodig voor meerdere concepten. Een testopstelling wordt door verschillende teams gebruikt. Een expert op het gebied van materialen, elektronica of regelgeving schuift tussen projecten heen en weer. Op papier zijn alle projecten bemand, maar in de praktijk moet iedereen voortdurend schakelen.
Daardoor neemt de effectieve ontwikkelsnelheid af. Besluiten blijven liggen, werk wordt vaker onderbroken en problemen worden later ontdekt. Bovendien ontstaat het risico dat projecten allemaal gedeeltelijk vooruitgaan, terwijl geen enkel project voldoende focus krijgt om een beslissende mijlpaal te bereiken.
McKinsey beschrijft dat leidende organisaties hun portfolio daarom niet alleen periodiek beoordelen, maar projecten regelmatig vergelijken en de beschikbare mensen en middelen expliciet aan de gekozen prioriteiten koppelen. In een genoemd praktijkvoorbeeld verminderde een producent van speciaalchemicaliën het aantal ontwikkelprojecten met 40 procent. Hierdoor konden middelen sterker worden geconcentreerd op de overgebleven prioriteiten.
Prioriteren gaat dus niet alleen over de volgorde op een lijst. Een project is pas echt een prioriteit wanneer het toegang krijgt tot de capaciteit die nodig is om de volgende fase daadwerkelijk af te ronden.
Een aantrekkelijk idee is nog geen sterk ontwikkelproject
In een vroege innovatiefase zijn opbrengsten, kosten en doorlooptijden per definitie onzeker. Daardoor is het verleidelijk om projecten vooral te beoordelen op hun commerciële belofte of strategische aantrekkingskracht. Maar een roadmap die commercieel interessant lijkt, kan technisch onrealistisch zijn.
Een concept kan bijvoorbeeld afhankelijk zijn van een materiaal dat nog onvoldoende gevalideerd is. De gewenste producteigenschappen kunnen leiden tot hoge toolingkosten of complexe assemblage. Elektronica, mechanica en software kunnen elkaar beïnvloeden op een manier die pas zichtbaar wordt in een geïntegreerd prototype. Ook certificering, leverancierscapaciteit en schaalbaarheid kunnen de haalbaarheid sterk veranderen.
Daarom moet prioritering niet alleen antwoord geven op de vraag hoeveel waarde een project kan opleveren. Ook de route naar een betrouwbaar en produceerbaar product moet worden beoordeeld. Een kleiner project met een heldere technische route kan meer waarde creëren dan een groter marktidee waarvan de belangrijkste aannames nog niet zijn onderzocht.
De juiste vergelijking ontstaat wanneer ieder project langs dezelfde perspectieven wordt gelegd:
- Past het bij de strategische richting van de organisatie?
- Lost het een relevant en aantoonbaar klantprobleem op?
- Is het technisch haalbaar met de beschikbare of bereikbare technologie?
- Kan het product betrouwbaar en tegen een passende kostprijs worden geproduceerd?
- Welke specialistische kennis, middelen en capaciteit zijn nodig?
- Welke onzekerheden moeten eerst worden weggenomen?
- Welke waarde levert het op en binnen welke termijn?
- Hoe draagt het bij aan de balans van het totale portfolio?
Niet ieder antwoord hoeft aan het begin volledig bekend te zijn. Wel moet duidelijk zijn welke aannames nog onzeker zijn en hoe die efficiënt kunnen worden getoetst.
Vroege validatie maakt prioriteiten beter vergelijkbaar
Veel portfolio’s vergelijken projecten die zich op papier in dezelfde fase bevinden, maar inhoudelijk een heel verschillend bewijsniveau hebben. Het ene concept is gebaseerd op klantonderzoek en een werkend prototype. Het andere bestaat vooral uit een aantrekkelijke businesscase en een globale technische aanname.
Wanneer die projecten op dezelfde manier worden beoordeeld, lijkt de keuze objectief maar worden in werkelijkheid verschillende niveaus van onzekerheid vergeleken. Een nauwkeurige omzetprognose maakt een technisch onbewezen concept nog niet voorspelbaar.
Vroege validatie helpt om dat verschil zichtbaar te maken. Een haalbaarheidsonderzoek, proof of principle, materiaaltest, architectuurstudie of eerste maakbaarheidsanalyse kan voldoende zijn om een belangrijke aanname te bevestigen of te ontkrachten. Het doel is in deze fase niet om het product al volledig uit te ontwikkelen. Het doel is om met een beperkte investering betere informatie voor de volgende beslissing te verzamelen.
Dat verandert prioritering van een discussie op basis van overtuiging in een proces op basis van bewijs. Projecten met sterke resultaten kunnen doelgericht worden versneld. Projecten met oplosbare risico’s krijgen een nieuwe onderzoeksvraag. Initiatieven waarvan de kern niet haalbaar blijkt, kunnen worden gestopt voordat zij langdurig capaciteit vastleggen.
Stopcriteria zijn even belangrijk als selectiecriteria
Organisaties besteden vaak veel aandacht aan het starten van projecten, maar aanzienlijk minder aan het beëindigen ervan. Een project krijgt goedkeuring op basis van een verwachte markt, een interne sponsor en een eerste budget. Daarna wordt stoppen steeds moeilijker.
Dat komt deels doordat teams al tijd, kennis en reputatie in het initiatief hebben geïnvesteerd. Nieuwe informatie wordt dan gebruikt om de bestaande koers te verdedigen, terwijl de oorspronkelijke aannames misschien niet langer houdbaar zijn. Ook kunnen invloedrijke opdrachtgevers uitzonderingen creëren voor projecten waar zij persoonlijk sterk bij betrokken zijn.
McKinsey beschrijft hoe portfolio’s daardoor een lange staart van initiatieven met een laag verwacht rendement kunnen ontwikkelen. Die projecten nemen capaciteit weg van kansrijkere initiatieven. In een praktijkvoorbeeld stelde een producent zelfs een onafhankelijke verantwoordelijke aan die alle lopende projecten en terugkerende oorzaken van inefficiëntie, mislukking en beperkte marktkansen systematisch vastlegde.
Goede stopcriteria worden daarom vooraf vastgelegd. Welke technische prestatie moet op een bepaald moment zijn aangetoond? Welke klantbehoefte moet worden bevestigd? Welke maximale kostprijs, investering of doorlooptijd is acceptabel? En welke verandering in markt, regelgeving of strategie vraagt om een nieuwe beoordeling?
Stoppen betekent daarbij niet automatisch dat een project heeft gefaald. Wanneer een vroege test aantoont dat een idee niet haalbaar of onvoldoende waardevol is, heeft het project juist belangrijke informatie opgeleverd tegen relatief lage kosten. De mislukking ontstaat pas wanneer zwakke aannames te lang ongemoeid blijven en structureel capaciteit blijven gebruiken.

Case: Philips OneUp
Bij de ontwikkeling van een nieuwe generatie vloerreinigers had Philips een duidelijke ambitie: een elektronische dweil die sneller schoonmaakt en gebruiksvriendelijker is dan bestaande oplossingen.
In de praktijk bleek de uitdaging groter. Traditionele dweilen werken met een emmer en hergebruiken hetzelfde water, waardoor vuil zich over de vloer kan verspreiden. Elektrische vloerreinigers lossen dat deels op, maar zijn vaak groot, zwaar en moeilijk te manoeuvreren.
Niet ieder goed project hoeft nu te starten
Een scherpe portfoliokeuze kent meer uitkomsten dan alleen doorgaan of stoppen. Een initiatief kan waardevol zijn, maar niet passen bij de huidige capaciteit, timing of strategische focus. In dat geval is bewust uitstellen beter dan het project half te starten.
Dit onderscheid is belangrijk omdat een overvolle pijplijn vaak ontstaat uit de wens om geen kansen te verliezen. Door ieder aantrekkelijk initiatief alvast te openen, blijft het formeel bestaan. Tegelijkertijd ontstaan verwachtingen bij management, commerciële teams en ontwikkelaars, terwijl de noodzakelijke middelen ontbreken.
Een geloofwaardige roadmap maakt daarom zichtbaar welke projecten actief worden uitgevoerd, welke eerst aanvullende validatie nodig hebben, welke bewust wachten en welke zijn beëindigd. Bij uitgestelde projecten hoort ook een duidelijke aanleiding voor heroverweging, bijvoorbeeld het vrijkomen van capaciteit, het behalen van een omzetdoel of de beschikbaarheid van een nieuwe technologie.
Zo blijft een kans behouden zonder dat zij direct beslag legt op de uitvoering.
Meer budget lost een gebrek aan focus niet vanzelf op
Wanneer projecten vertragen, lijkt extra budget of extra capaciteit een logische oplossing. Dat kan nodig zijn, maar alleen nadat duidelijk is welke projecten werkelijk prioriteit hebben. Anders wordt dezelfde versnippering op grotere schaal voortgezet.
Een recente McKinsey studie onder 1.017 senior managers laat zien dat bijna de helft aangeeft dat slechts een kwart of minder van de innovatieprojecten op tijd de markt bereikt. Tegelijkertijd konden bedrijven door hun portfolio kritisch te herzien 12 tot 20 procent van hun innovatiebudget of R&D budget vrijmaken voor beter presterende projecten.
De grootste winst zit dus niet altijd in méér investeren. Vaak ontstaat eerst ruimte door bestaande investeringen opnieuw te beoordelen. Daarna kan aanvullende capaciteit gericht worden ingezet om kansrijke projecten sneller door kritieke ontwikkelfasen te brengen.
Externe expertise kan daarbij op twee manieren waarde toevoegen. Ten eerste kan specialistische kennis helpen om technische onzekerheden sneller te onderzoeken. Ten tweede kan flexibele ontwikkelcapaciteit voorkomen dat een belangrijk project vertraagt doordat interne experts over te veel werkzaamheden zijn verdeeld. Een externe partner vervangt de portfoliostrategie niet, maar kan wel zorgen dat beslissingen eerder op technische feiten worden gebaseerd en gekozen projecten daadwerkelijk voortgang boeken.
Focus vraagt om betere beslissingen, niet om minder ambitie
Een kleiner aantal actieve projecten betekent niet dat een organisatie minder innovatief is. Integendeel. Door capaciteit te concentreren, aannames vroeg te valideren en projecten tijdig opnieuw te beoordelen, ontstaat meer ruimte voor de initiatieven die werkelijk verschil kunnen maken.
Daarbij moeten commerciële waarde, technische haalbaarheid en manufacturing readiness vanaf het begin met elkaar worden verbonden. Een project verdient niet alleen prioriteit omdat het idee aantrekkelijk is, maar omdat er een geloofwaardige route bestaat van klantbehoefte naar werkend, maakbaar en schaalbaar product.
PEZY helpt organisaties om die route vroeg concreet te maken. Door product design, engineering, plastics expertise, prototyping en industrialisatie bij elkaar te brengen, kunnen kritische aannames eerder worden onderzocht. Zo ontstaat een steviger fundament voor de keuze om een project te versnellen, aan te passen, uit te stellen of te stoppen.
De centrale vraag is daarom niet hoeveel innovatieprojecten een organisatie kan starten. De belangrijkere vraag is welke projecten voldoende waarde en bewijs hebben om de beschikbare mensen, middelen en aandacht te verdienen.
Ready to talk?
Wij werken met bedrijven die succesvol producten of onderdelen willen ontwikkelen. Samen komen we tot het beste resultaat van eerste concept tot productie.
